|
Zien iets om te leren.
Zien is niet aangeboren, zoals vaak wordt verondersteld, het
zien is aangeleerd. Kijken moet je leren, net zoals je lopen
leert. Wel heb je normaal zicht vanaf de geboorte, maar daarmee
bedoelen we niet het kijken, maar het vermogen om lichtprikkels
door middel van de ogen op te nemen en door te seinen naar de
hersenen. Pas als ze iets met de lichtinformatie gaan doen,
spreken we van zien.
Het zien ontwikkelt zich, evenals andere gedragspatronen, bij
kinderen volgens bepaalde biologische wetten. Zowel in de gedragswetenschappen,
in het bijzonder de ontwikkelingspsychologie, als ook in de
medische wetenschap is de laatste 100 jaar onderzoek gedaan
naar de patronen die deze ontwikkeling kenmerkten. Meer en meer
heeft men kunnen vaststellen hoe het proces, waarop kinderen
leren zien, verloopt. Dit leerproces vindt als het ware stapsgewijs
plaats en stabiliseert zich pas min of meer op 9 jarige leeftijd.
Dat betekent dat van de geboorte tot het 9e levensjaar de visuele
vaardigheid steeds groter en op den duur optimaal wordt. Met
deze ontwikkeling wordt in de praktijk niet altijd rekening
gehouden en dat kan ook niet altijd. Vroeger al begonnen kinderen
op hun 6e levensjaar te werken met letter- en cijfersymbolen.
In de nieuwe basisschool worden kinderen veelal beter voorbereid
op het symboolgebruik, maar nog steeds zijn lang niet alle kinderen
op 6 jarige leeftijd daar aan toe. Te vroeg aanbieden van symbolisch-visueel
materiaal kan leiden tot ontwikkelingsstoornissen. Er zijn veel
kinderen die door allerlei factoren niet zo makkelijk als gewone
kinderen kunnen leren zien, zoals opvoeders dat verwachten.
We treffen dan ook niet alleen problemen bij het kijken, maar
ook bij andere componenten van het gedrag, zoals bijvoorbeeld
het omgaan met symbolen bij rekenen, lezen, spellen en schrijven.
Er is veel onderzoek verricht naar de ontwikkeling van de zintuigen
bij jonge kinderen. Dat heeft bij het gehooronderzoek meer problemen
opgeleverd dan bij het onderzoek naar het zien. De pasgeborene
reageert op beide prikkels. Reeds na enkele uren beweegt het
kind de ogen en het hoofd mee in de richting van een lichtbron,
waarbij het de ogen al dan niet geopend heeft. Men kan hierbij
reeds vroeg spreken van een aanpassing aan de omgeving. Deze
aanpassing verloopt voornamelijk door middel van reflexmatig
bewegen. Dat wil zeggen dat op een zelfde prikkeel een zelfde
motorische reactie volgt.

Doordat de ontwikkeling van het zenuwstelsel bij de geboorte
nog lang niet is voltooid, treden er in de eerste maanden vooral
reflex houdingen en reflex bewegingen op. Immers de hersenschors,
cortex, oefent bij pasgeborene geen remmende invloed uit op
de dieper liggende delen van de hersenen, omdat de myelineschedes,
een soort isolatielaag rond de zenuwvezels, nog niet gevormd
zijn. De myelineschede is noodzakelijk voor de geleiding van
de impulsen via de zenuwvezels vanuit een zenuwcentrum en voor
een juiste voortplanting van de impulsen binnen het zenuwstelsel.
Er is dus een sterk verband tussen de myelinisering en de ontwikkeling
van de fysiologische activiteiten, o.a. de motorische bewegingen
van het kind.
De hersenstam en het ruggenmerg zijn echter al bij de geboorte
voorzien van een myelineschede en met behulp hiervan komen de
bewegingen van het pasgeboren kind tot stand. Al deze bewegingen
gebeuren reflexmatig; dat wil zeggen; het zijn onwillekeurige
motorische reacties, die geheel spontaan kunnen zijn (het kind
ligt bv. en trappelt in de lucht) of die ontstaan als reactie
op een prikkel uit de omgeving (aanraken, geluid of licht);
een reflexbeweging wordt altijd op dezelfde manier uitgevoerd
bij dezelfde prikkel van buitenaf. De spier activiteit is over
het algemeen levendig en het kind is niet in staat om deze bewegingen
te onderdrukken, omdat de remming te kort schiet. De bewegingen
van de pasgeborene worden dus gekenmerkt door gebrek aan remming
of inhibitie vanuit de cortex en door het ontbreken van willekeurige,
gerichte activiteit.
De verschillende houdings- en bewegingsreflexen geeft het kind
in de eerste 2 maanden verschillende reactie mogelijkheden,
die vooral het karakter hebben van enerzijds bescherming van
het organisme, anderzijds gericht zijn op het instant houden
van het leven. Deze reactie mogelijkheden kan men deels herleiden
naar oude gedragswijzen uit de begintijd van het menselijk bestaan
op aarde, z.g.n. ontogenetische bewegingspatronen.
Deze houdings- en bewegingsreflexen verminderen gaande weg de
verbetering van de bewuste motoriek. In die zin geven deze reflexen
uitsluitsel over de ontwikkelingsleeftijd van het kind (Voyta).
De reflexen die vooral manifest zijn van 0 tot 2 maanden, noemt
men primaire reflexen en zijn vooral gericht op de bescherming
van het organisme. Dit zijn primitieve klimbewegingen, zoals
bij primair lopen en zwemmen. Verder zijn o.a. de MORO reflex,
ook wel de schrikreflex genoemd en de tepelzoekreflex, primaire
reflexen. 
De secundaire reflexen komen vooral naar voren vanaf de 2e
maand en soms pas rond de 4e maand. Ze zijn vooral gericht op
het instant houden van het leven. Het zijn reflexen die vooral
te maken hebben met het handhaven van de houding tegen de zwaartekracht
in. Het zijn z.g.n. posturale reflexen, die zorgen voor het
handhaven van de normale spierspanning of tonus. Ze zijn een
voorwaarde voor bewuste of andere reflexmatige bewegingen, omdat
deze bewegingen een permanente verstoring van de houdingstonus
tot gevolg hebben. Vooral deze statistische of secundaire reflexen
zijn van cruciaal belang voor de ontwikkeling van een normale
motoriek.
We kunnen een onderscheid maken in lokale statische reflexen,
zoals de steunreflexen (Getman en Gesell noemen deze de reciprociteitreflex).
De algeheel statische reflexen hebben betrekking op het handhaven
van de tonus van het gehele organisme. Hieronder vallen de tonische
nekreflexen (zie voor een beschrijving….) ; de labyrintreflexen,
die vooral gericht zijn op het handnaven van de houding in het
verticale vlak; de opricht reflexen, die o.a. zorgen voor het
oprichten van het hoofd vanuit de buikligging; de opvang reflexen,
die vooral bij omvallen van belang zijn, samen met de dynamische
reflexen, zoals de evenwichtsreflexen.
Naast deze vooral motorische reflexen, bestaan er ook reflexen
die het sensorisch functioneren initiëren. Deze z.g.n.
oriënteringsreflexen, waaronder de vasomotorische reflex,
hebben tot gevolg dat de hartactie evenals de hersenactiviteit
veranderd, wanneer men bepaalde stimuli verwacht, vanuit de
omgeving. Ook wanneer deze stimuli niet optreden, kan er een
oriënteringsreflex optreden als gevolg van de verstoring
van het verwachtingspatroon. Wanneer het waarnemen van een stimulus
leidt tot een oriënteringsreflex, dan heeft deze stimulus
een informatie verwerkend proces geïnitieerd, waarmee het
kind kan interveniëren.
De reflexen spelen in het leven van de baby dus een wezenlijke
rol. Wanneer we kijken naar de sensorische ontwikkeling van
de baby, dan valt ons op, dat de bewegingen vooral reflexmatig
bepaald zijn, volgens een vast bewegingspatroon dat met name
in de eerste 12 maanden veel verandering laat zien. De motorische
ontwikkeling begint al ver voor de geboorte en is via ultra-sonografisch
en echoscopisch onderzoek reeds rond de 8e week van de zwangerschap
waarneembaar. De bewegingspatronen ziet men optreden na de 8e
week en in de 16e zwangerschapsweek heeft Milani Comparetti
reeds oogbewegingen geconstateerd, een onderzoek dat wordt bevestigd
door de Vries. Naderhand, in de fase van de ontwikkeling die
we gemakkelijker kunnen inspecteren bij baby en peuter, zien
we een veelvuldige herhaling en combinatie van de eerder gesignaleerde
bewegingspatronen, die erop duidt, dat het kind gedrag op een
steeds hoger gecompliceerd niveau wil inslijpen. Aanvankelijk
komt op eenzelfde prikkel steeds een vast reactiepatroon, maar
al snel is er sprake van meer bewuste bewegingen die het reflexmatig
bewegen steeds meer naar de achtergrond dringen. Dat neemt zodanige
vormen aan, dat onder normale omstandigheden, op de leeftijd
van 8 maanden de reflexen niet of nauwelijks meer waarneembaar
zijn.
De meeste reflexen verdwijnen niet echt, maar worden als het
ware ondergesneeuwd door de bewuste motorische ontwikkeling,
die o.a. op gang komt door een betere myelinisatie van de verschillende
zenuwen. Bijvoorbeeld de schrik-/ of Moro reflex, die in eerste
instantie gericht is op de bescherming van het kind, verdwijnt
weliswaar in deze vorm, doch blijft aanwezig tot op volwassen
leeftijd. Hevige schrik geeft ook bij volwassene een typische
onbewuste reactie. 
De kennis die we hebben van jonge kinderen danken we aan vele
systematische inventariserende observaties vanuit de begin fase
van de kinderpsychologie. De namen van het echtpaar Buhler,
die van Stern en van Gesell zijn daarmee ten nauwste verbonden
en uiteraard ook die van Getman.
Bij de pasgeborene lijkt de inventaris nog overzichtelijk. Het
kind beschikt over een aantal reflectorische reactie mogelijkheden.
Deze prille gedragingen zijn echter reeds de resultante van
ingewikkelde, nauwelijks bekende structureringsprocessen.
De meeste reflexmatige bewegingsvormen verdwijnen, zichtbaar
blijven de reflexbewegingen zoals hoesten, niezen, wegvegen
van hinderlijke prikkels in het gezicht, krabben, de grijpreflex
(wanneer men met een voorwerp de handpalm raakt), het opheffen
en omwenden van het hoofd, wanneer men het kind voorover op
een kussen of een matras legt. Voelt een kind zich bedreigd,
bijvoorbeeld door een plotselinge verandering van houding, hard
geluid, ligging in een vrije ruimte, zoals op een stoel, op
de vloer of iets dergelijks, dan slaat het de armen wijduit
hetgeen gepaard gaat met schudbewegingen van het hoofd, intensivering
van de ademhaling en huilen. Naast de reflectorische, beschermende
patronen die altijd onder bepaalde voorwaarden optreden, is
het zuigen de belangrijkste op directe levenshandhaving gerichte
reflex. De op communicatie gerichte reactie is het schreeuwen.
Aanvankelijk lijkt het erop alsof de buitenwereld zoveel prikkels
op het kind afstuurt, dat het zich daartegen te weer stelt.
Het kan die indrukken als het ware nog niet verwerken, nog niet
organiseren, omdat het centrale zenuwstelsel daartoe nog niet
bekwaam is. Desalniettemin zijn deze prikkels noodzakelijk om
de aanpassing en de differentiering van de organische voorwaarden
tot georganiseerd gedrag tot stand te brengen. Als de prikkels
niet goed gedoseerd zijn, reageert de baby met een vluchtreactie
en wendt het zich van de buitenwereld af. Naarmate het kind
zich verder ontwikkelt, richt het zich ook meer op de buitenwereld.
Het knijpt de oogjes bij fel licht niet meer dicht en wendt
zich er niet meer vanaf, maar het gaat kijken en schept vreugde
in wat het ziet. Dat geldt in feite ook voor de andere zintuiggebieden
die daarbij een spel van onderlinge samenwerking aangaan. Een
van de belangrijkste reflexen die het eerst werkt, is de zuigreflex.
Deze wordt opgewekt wanneer men de baby over de wangetjes strijkt.
Het mondje gaat dan open en vervolgens begint het te zuigen.
Deze activiteit dient tot opname van het voedsel dat in eerste
instantie plaatsvindt door de tepel vast te omsluiten en de
melk op te pompen. Brechtl noemt deze eerste vorm van zuigen
dan ook het pompzuigen, waarbij de tong nog niet mee doet. Een
aantal reflexen heeft het kenmerk van voortbewegen in zich,
zoals bijvoorbeeld de loopreflex en de kruipreflex. Een ander
aantal reflexen kenmerkt zich door het stabiliseren of fixeren
van de houding, zoals bijvoorbeeld de hoofdoprichtreflex. Andere
reflexen, die als het ware het proces van informatieverwerking
moeten helpen opstarten (waaronder het visueel waarnemen), willen
we wat uitgebreider bespreken. Hier willen we op een aantal
aspecten van de ontwikkeling van het zien wat nader ingaan aan
de hand van het visuele ontwikkelingsmodel van het Optometric
Extension Program (OEP) foundation, zoals dat door een groep
functionele optometristen onder leiding van Gesell, Skeffington
en Getman is ontwikkeld. Gesell, die veel ook veel samenwerkte
met de oogarts Betts, heeft de kinderlijke ontwikkeling, anders
dan Piaget, verdeeld in zes opeenvolgende fasen. Deze fasen
kan men niet van elkaar scheiden, omdat de ene fase de andere
in hoge mate beïnvloed, maar wel is duidelijk dat de fasen
chronologisch tot stand komen. De volgorde en de wederzijdse
afhankelijkheid leidt op den duur tot integratie van kunnen
en kennen. De zes stadia zijn:
|
General movement patterns |
Algemene motoriek |
|
Special movement patterns |
Specifieke motoriek |
|
Eye movement patterns |
Oogmotoriek |
|
Communication patterns |
Spreek-/ luisterintegratie |
|
Visualization movement patterns |
Visualisatie |
|
Visual Perceptual Organization |
De visuele waarneming in relatie tot
andere waarnemingscomponenten |
|