|
|
De Lichtreflex
|
|
De lichtreflex is een reflex van de ogen. Een (felle) lichtbron
geeft een reflexmatig bewegen van de ogen en het hoofd naar
de lichtbron. Onmiddellijk na de geboorte is de beweging van
beide ogen ten opzichte van elkaar nog niet goed gecoördineerd.
De baby zal in de eerste maanden afwisselend met een of met
beide ogen kijken. Opvallend is dat een oog soms nog wegtrekt.
Het scherp zien is binnen een afstand van 25 cm wel min of meer
aanwezig. Dit betekent, dat een baby nog zeer globaal en diffuus
in een klein gebied kan waarnemen. De visuele informatie die
binnen komt is da ook nog weinig gestructureerd. De lichtreflex
bepaalt de start van de visuele waarneming, zowel wat de oogmotoriek
betreft, als ook het simultane gebruik van de beide ogen, als
het gaat om het scherp zien. 
|
|
De Grijpreflex
|
| De grijpreflex ziet men aanvankelijk niet zo
duidelijk. De baby ligt de eerste weken vooral in een gebogen
houding, waarin armen en benen naar de middellijn aangevoerd
liggen (adductie flexie). De handjes houdt het nog als knuistjes,
maar ze kunnen wel passief of met een tastprikkel geopend worden.
Spontaan zijn zij meestal gesloten. De reflex is beter waarneembaar
als de handjes in de ontwikkeling wat meer open gaan. Door aanraking
of druk op de handpalm, volgt sluiting van de vingers met een
aanhoudende spanning. De tastinformatie geeft een motorische
reactie. Als de handpalm met speelgoed in aanraking komt, volgt
er dus een motorische reactie, waarmee het speeltje naar de
middellijn wordt bewogen en wordt her- / verkend via de tastzin
van mond en ogen.
Deze primaire reflex verandert na de 3e – 4e maand, aanraking
geeft dan geen aanhoudende (tonische) reactie meer. Het kind
kan de vingers nu actief gaan strekken, ook als het iets vast
heeft. Loslaten wordt nu ook mogelijk, waarbij het kind ook
in staat is de gevolgen te bemerken. 
|
|
De Reciprociteitreflex
|
|
De reciprociteitreflex is een combinatie van twee steunreflexen
en geeft een ritmische afwisseling van de reflexen in de benen,
waardoor op reflex niveau het looppatroon zichtbaar wordt. Het
initieert als het ware de links – rechts coördinatie
in tegengestelde of alternerende vorm. Ook deze reflex verandert
in de eerste 5 maanden tot een bewuste vorm van bewegen. Het
buigen van een been veroorzaakt een strekking van het andere
been, het omrollen van rug- naar buikligging en andersom is
een vorm van links – rechts coördinatie, waarbij
de ene lichaamshelft een tegengestelde beweging maakt aan die
van de ander. 
|
|
De Statokinetische reflex
|
| De statokinetische reflex is één
van de labyrintreflexen, nodig voor het handhaven van het evenwicht,
die zorgt voor de recht opgaande houding bij verschillende bewegingsvormen.
Het vestibulaire systeem heeft directe neurologische verbindingen
met de kernen van drie hersenzenuwen, welke een aantal oogspieren
innerveren. De reflex is alleen goed waarneembaar in pathologische
situaties. Ze zorgt voor de relatie; evenwicht – voortbewegen
– oogmotoriek.   |
|
De Myotonische reflex
|
| De myotonische reflex regelt de spierspanning.
Ieder mens heeft onder bepaalde omstandigheden een bepaalde
spierspanning of spiertonus. Deze laatste is van veel variabelen
afhankelijk. Slaap, stress en / of emoties hebben een grote
invloed op de hoogte van de spiertonus en zijn normaal passend
bij die activiteit die het ontwikkelende kind moet uitvoeren
en natuurlijk geldt dit ook bij volwassenen. Iemand die een
sport bedrijft en bijvoorbeeld aan de start voor de 100 meter
hardlopen staat, zal een andere tonus hebben dan iemand die
slaapt. Bij pasgeborene zien we nogal eens een doorschieten
van de tonus naar te hoog of te laag. Tussen de 2e en de 5e
maand ontwikkelt zich de myotonische reflex, waarbij de baby
leert een juiste tonus op te bouwen. In pathologische situaties
zien we een doorschieten van hyper- naar hypotonus.
De reflexen vertegenwoordigen een systeem dat een kind
vanaf de geboorte meekrijgt. Men zou de werking als volgt kunnen
toelichten; “Met behulp van de reflexen wordt er een begin
gemaakt met de totale motorische ontwikkeling van het kind en
daarom zijn ze aan het begin van de ontwikkeling dan ook onontbeerlijk”.
|
|