| Afgezien van de bewegingsreflexen, zien we
bij een baby van ongeveer 5 maanden, de eerste bewuste bewegingsmotoriek
middels het omrollen. Er wordt bewust van plaats en positie
veranderd. Later komt daar in de ontwikkeling kruipen, lopen,
hardlopen en fietsen bij. De meeste kinderen hebben met ongeveer
4 jaar al deze bewegingsvormen doorlopen, behalve het los fietsen,
wat op latere leeftijd plaatsvindt.
Al deze vormen van bewegen kenmerken zich door een tegengestelde
vorm van motoriek. Deze voorkeur voor alternerend bewegen, stelt
het kind in staat zich van plaats en / of positie te veranderen.
Temple Fay heeft rond 1950 al het belang aangegeven van dit
tegengesteld bewegen, welke hij de heterolaterale bewegingsvormen
noemde. In Nederland hebben vooral Mesker, neuroloog en Worm,
hoofd afdeling fysiotherapie van het Radboutziekenhuis te Nijmegen,
zich ingezet om duidelijk te maken, welk belang deze ontwikkelingsvorm,
die zij slurfmotoriek noemen, heeft voor de totale ontwikkeling.
Bij de slurfmotoriek zien we een tegengesteldheid van bewegen
tussen de rechter en linker lichaamshelft. Het wandelen is een
voorbeeld van slurfmotoriek in optima forma. Niet alleen gaat
het ene been naar voren en het andere naar achteren, ook de
armen maken deze beweging en de romp middels draaiing. Wanneer
het linkerbeen voor staat, zwaait de rechterarm naar voren,
waarmee er een torsie of draaiing in de wervelkolom plaats vindt.
Deze vorm van lopen noemen we de kruisgang. Het wandelen in
telgang daarentegen kenmerkt zich alleen door een tegengesteldheid
van de beenmotoriek, er is nauwelijks romprotatie. Hierdoor
is er een andere evenwichtsvorm bij het lopen, dan bij een kruisganger.
We moeten ons echter steeds bedenken dat deze tegengestelde
motoriek gestuurd wordt vanuit onze hersenen. Bij het wandelen
geeft onze rechter hersenhelft een ander signaal naar de linker
lichaamshelft dan onze linker hersenhelft naar rechts stuurt.
Dit vraagt dus op cerebraal nivo een perfecte afstemming van
de linker en rechter hersenhelften, zowel voor het sturen als
remmen van een activiteit. Dr Mesker gaf aan dat vooral de hersenbalk,
corpus callosum, een voorname rol hierin speelt. Tegengesteldheid
van bewegen zien we al in een vroeg ontwikkelingsstadium in
de oogmotoriek bij het volgen van links naar rechts en andersom.
In deze fase van slurfmotoriek, lokt het visueel waarnemen de
beweging uit en verkent het kind zijn omgeving. Pas op latere
leeftijd, rond het 4e, 5e jaar, kan het kind met zijn oog volgbeweging
de omgeving verkennen, zonder zich meteen te hoeven verplaatsen. 
De tweede fase van de algemene bewegingspatronen kenmerkt zich
door fixatie of stabilisering, welke tot stand komt via symmetrische
bewegingsvormen. We zien deze bewegingsvorm vooral van het 4e
tot het 6e levensjaar. Echter ook direct na de geboorte zagen
we dat deze symmetrie de baby in staat stelt om het hoofd te
op te richten en op beide armen te steunen. Ook het zitten en
staan vinden uiteraard plaats via de symmetrische motoriek.
Echter de verdere verfijning de verdere verfijning van deze
motorische kwaliteit zien we in latere fasen. Het fenomeen van
herhaling of inslijpen van motorische patronen is een kenmerk
van de motorische ontwikkeling en moeten we in de totale ontwikkeling
van het kind herhaaldelijk zien. Enerzijds ten behoeve van een
bewegingsvorm als huppen en springen, anderzijds leert het kind
meer en beter stilstaan en stilzitten. Op deze laatste activiteit
doet de school vanaf het 5e levensjaar een steeds groter beroep.
In die zin stelt een goede symmetrische motoriek het kind in
staat zich beter en langer te concentreren, omdat de concentratie
boog minder verstoord wordt door allerlei bewegingen. De symmetrische
motoriek wordt gestuurd door een symmetrische activiteit van
beide hersenhelften en vergt dus een andere perfecte samenwerking
dan bij het alternerend bewegen. Ook zien we op deze leeftijd,
dat de symmetrische oogmotoriek, het vergeren, zich verder ontwikkeld
en het kind meer en meer instaat stelt om beide ogen perfect
te richten op nabij taken. Ook zien we in deze leeftijdsfase
een goede samenwerking optreden tussen beide ogen en beide handen.
Het kind leert nu met een goede oogcontrole symmetrische een
bal te vangen.
|