Ontwikkeling van de algemene bewegingspatronen

De algemene motoriek stelt het kind in staat om middels normaal gebruik van armen, benen, hoofd en romp, de wereld om zich heen te gaan verkennen. De start van dit proces is vooral afhankelijk van het visueel waarnemen.
Er is door verschillende auteurs onderzoek gedaan naar de motorische ontwikkeling bij blinde kinderen. Hieruit kwam naar voren dat de algemene motoriek, ook wel de grove of grote motoriek genoemd, beduidend later start en later zijn ontwikkelingsmijlpalen haalt.
De fase van de algemene motoriek kenmerkt zich grofweg is 2 fasen. De eerste fase zien we vooral het aspect van het voortbewegen en manifesteert zich vooral in de leeftijd tot 3 à 4 jaar. De tweede fase kenmerkt zich vooral door stabiliseren of fixeren en uit zich vooral door de verdere ontwikkeling van het evenwicht.bottomTop


De ontwikkelingsfase van het voortbewegen

Afgezien van de bewegingsreflexen, zien we bij een baby van ongeveer 5 maanden, de eerste bewuste bewegingsmotoriek middels het omrollen. Er wordt bewust van plaats en positie veranderd. Later komt daar in de ontwikkeling kruipen, lopen, hardlopen en fietsen bij. De meeste kinderen hebben met ongeveer 4 jaar al deze bewegingsvormen doorlopen, behalve het los fietsen, wat op latere leeftijd plaatsvindt.
Al deze vormen van bewegen kenmerken zich door een tegengestelde vorm van motoriek. Deze voorkeur voor alternerend bewegen, stelt het kind in staat zich van plaats en / of positie te veranderen. Temple Fay heeft rond 1950 al het belang aangegeven van dit tegengesteld bewegen, welke hij de heterolaterale bewegingsvormen noemde. In Nederland hebben vooral Mesker, neuroloog en Worm, hoofd afdeling fysiotherapie van het Radboutziekenhuis te Nijmegen, zich ingezet om duidelijk te maken, welk belang deze ontwikkelingsvorm, die zij slurfmotoriek noemen, heeft voor de totale ontwikkeling. Bij de slurfmotoriek zien we een tegengesteldheid van bewegen tussen de rechter en linker lichaamshelft. Het wandelen is een voorbeeld van slurfmotoriek in optima forma. Niet alleen gaat het ene been naar voren en het andere naar achteren, ook de armen maken deze beweging en de romp middels draaiing. Wanneer het linkerbeen voor staat, zwaait de rechterarm naar voren, waarmee er een torsie of draaiing in de wervelkolom plaats vindt. Deze vorm van lopen noemen we de kruisgang. Het wandelen in telgang daarentegen kenmerkt zich alleen door een tegengesteldheid van de beenmotoriek, er is nauwelijks romprotatie. Hierdoor is er een andere evenwichtsvorm bij het lopen, dan bij een kruisganger. We moeten ons echter steeds bedenken dat deze tegengestelde motoriek gestuurd wordt vanuit onze hersenen. Bij het wandelen geeft onze rechter hersenhelft een ander signaal naar de linker lichaamshelft dan onze linker hersenhelft naar rechts stuurt. Dit vraagt dus op cerebraal nivo een perfecte afstemming van de linker en rechter hersenhelften, zowel voor het sturen als remmen van een activiteit. Dr Mesker gaf aan dat vooral de hersenbalk, corpus callosum, een voorname rol hierin speelt. Tegengesteldheid van bewegen zien we al in een vroeg ontwikkelingsstadium in de oogmotoriek bij het volgen van links naar rechts en andersom. In deze fase van slurfmotoriek, lokt het visueel waarnemen de beweging uit en verkent het kind zijn omgeving. Pas op latere leeftijd, rond het 4e, 5e jaar, kan het kind met zijn oog volgbeweging de omgeving verkennen, zonder zich meteen te hoeven verplaatsen.bottomTop

De tweede fase van de algemene bewegingspatronen kenmerkt zich door fixatie of stabilisering, welke tot stand komt via symmetrische bewegingsvormen. We zien deze bewegingsvorm vooral van het 4e tot het 6e levensjaar. Echter ook direct na de geboorte zagen we dat deze symmetrie de baby in staat stelt om het hoofd te op te richten en op beide armen te steunen. Ook het zitten en staan vinden uiteraard plaats via de symmetrische motoriek. Echter de verdere verfijning de verdere verfijning van deze motorische kwaliteit zien we in latere fasen. Het fenomeen van herhaling of inslijpen van motorische patronen is een kenmerk van de motorische ontwikkeling en moeten we in de totale ontwikkeling van het kind herhaaldelijk zien. Enerzijds ten behoeve van een bewegingsvorm als huppen en springen, anderzijds leert het kind meer en beter stilstaan en stilzitten. Op deze laatste activiteit doet de school vanaf het 5e levensjaar een steeds groter beroep. In die zin stelt een goede symmetrische motoriek het kind in staat zich beter en langer te concentreren, omdat de concentratie boog minder verstoord wordt door allerlei bewegingen. De symmetrische motoriek wordt gestuurd door een symmetrische activiteit van beide hersenhelften en vergt dus een andere perfecte samenwerking dan bij het alternerend bewegen. Ook zien we op deze leeftijd, dat de symmetrische oogmotoriek, het vergeren, zich verder ontwikkeld en het kind meer en meer instaat stelt om beide ogen perfect te richten op nabij taken. Ook zien we in deze leeftijdsfase een goede samenwerking optreden tussen beide ogen en beide handen. Het kind leert nu met een goede oogcontrole symmetrische een bal te vangen.Top