|
|
Kruipen
|
| In de motorische ontwikkeling, zien we het
kruipen als de eerste echte bewegingsvorm verschijnen. Meestal
is dit tussen de 7e en 12e maand. Onder kruipen verstaan we
het bewegen op handen en knieën met de buik van de grond.
Dit in tegenstelling tot het tijgeren, waarbij de buik op e
grond blijft en waarbij het evenwichtscomponent beduidend minder
aanwezig is. De prikkel om te gaan kruipen is meestal een visuele.
De baby ziet op korte afstand een speeltje liggen en wil daar
naar toe.
Tijdens het kruipen kijkt het kind naar het voorwerp of de persoon
waar het naartoe kruipt. Naast het scherp blijven zien, convergeert
het met beide ogen. Het heeft dus naast een motorische activiteit
ook een visuele activiteit; het scherpstellen en convergeren.
Vanaf het moment dat hij onderweg is, ziet en ervaart het middels
zijn motorische activiteit, dat de afstand kleiner wordt. Het
leert middels het kruipen en het visueel waarnemen, voor het
eerst wat afstand is. Aldus koppelt het zijn motorische ervaringen
aan zijn visuele ervaring, waardoor het door veel herhalen op
den duur leert wat afstand en diepte is. Diepte zien is dan
ook niet zomaar op een bepaalde leeftijd aanwezig, het ontwikkeld
zich evenzo als allerlei andere facetten van de totale ontwikkeling
en is pas, als het scherp zien ook goed is, rond het 7e of 8e
levensjaar optimaal ontwikkeld.  
|
|
Lopen
|
| Het lopen is de volgende bewegingsfase die
mogelijk wordt rond de 12e maand. Op consultatie bureaus voor
zuigelingen, houdt men aan dat 90% van de peuters op de leeftijd
van 16 maanden los loopt. We zien een verdere kwalitatieve ontwikkeling
van het evenwicht, snelheid en het alternerend bewegen. Ook
het visueel waarnemen wordt verder en meer geïnformeerd. 
|
|
Rennen
|
| Bij het rennen of hardlopen, welke activiteit
zich kenmerkt door een zweefmoment in het bewegen, zien we vooral
een toename van snelheid. Het hardlopen met een zweefmoment
zien we meestal beginnen tussen 2,5 en 3 jaar. 
|
|
Springen
|
| Het springen is vooral kenmerkend ten opzichte
van de vorige activiteit door de toename van het overbruggen
van hoogte en afstand. Met name wordt hier op een motorische
wijze de basis gelegd voor de begrippen als hoog – laag.
Het visueel systeem leidt ook hier meestal de sprongbeweging
in. Er vindt op deze leeftijd vaak ook een ondersteuning plaats
van een ander zintuig, namelijk de spraak. In veel motorische
leerstrategieën zien we dan ook een plaats ingeruimd voor
de auditieve ondersteuning. Het ver springen gebeurt meestal
na het afzetten met 1 been en is dus meer een alternerende sprong.
Het van een hoogte afspringen gebeurd meestal met 2 benen en
is dus een symmetrische vorm. Het symmetrisch springen zien
we in de ontwikkeling wat eerder dan de alternerende vorm. Het
springen zien we meestal tussen de 2,5 en 3 jaar beginnen. Bij
het van een hoogte afspringen wordt er een groot appel gedaan
op het visueel systeem. Hier wordt immers hoogte gezien, wat
motorisch goed overbrugd moet worden. Als dit afstemmen van
visueel en motorisch systeem niet goed plaatsvindt, zien we
dat het neerkomen vaak plaats vindt op de gehele voet en aldus
erg plomp en houterig gebeurd.
Een andere motorische vaardigheid die zich in deze fase ontwikkeld,
kenmerkt zich door het symmetrisch verplaatsen. Het huppen ,
springen met een skippybal of het springen op een trampoline,
zijn voorbeelden van deze bewegingsvorm. Deze bewegingsvorm
zien we pas goed rond het vierde jaar op gang komen en stimuleert
het visueel systeem vooral in het convergeren en diepte zien.  |
|
Hinkelen
|
| Bij het hinkelen hebben we te maken met een
toename van de moeilijkheidsgraad, vooral wat betreft het evenwicht.
Deze éénbenige bewegingsvorm begint bij veel kinderen
op 4 à 5 jarige leeftijd. Bij de kleuter zien we dat
het vrije been bij het hinkelen veel mee helpt aan het zich
verheffen van de grond, in een welhaast symmetrische bewegingsvorm.
Dit meebewegen of “pompen”van het vrije been geeft
aan het hinkelen een wat primitief karakter. Op een leeftijd
van 7 jaar behoort het vrije been echter ontspannen en stil
naast het stand- of hinkelbeen, in een hoek van ongeveer 90
graden gebogen in de knie, te hangen.   |
Al deze vormen van motoriek leiden tot een goede
ontwikkeling van de specifieke bewegingsvormen. Deze ontwikkeling
komt niet na, maar gelijktijdig met de algemene motorische bewegingen
en is ermee geheel en al verweven. In de ontwikkeling van de algemene
motorische bewegingspatronen hebben we gezien, dat er in eerste
instantie op een non verbale wijze de basis wordt gelegd voor
begrippen die gerelateerd zijn aan de ruimte. Het zal duidelijk
zijn, dat de ontwikkeling van de ruimtelijke oriëntatie parallel
loopt met de laatst genoemde ontwikkeling.  |
|